Referaat Pater P.Benoît Standaert osb tijdens de themadag 2018

14 maart 2019


Edith Stein en de apostel Paulus

 

Goede vrienden,

Graag deel ik met u de vruchten van een zoektocht in het werk van Edith Stein met betrekking tot de apostel Paulus.

Aan de oorsprong van deze zoektocht zat een intuïtief aanvoelen: Edith zal toch in heel haar denken en mediteren kracht geput hebben uit de levensweg en uit de geschriften van de apostel Paulus? Staat met name de keuze van haar tweede naam Benedicta a Cruce niet direct in relatie tot Paulus, en diens visie op het Kruis? En is de titel zelf van haar allerlaatste boek Die Wissenschaft des Kreuzes niet een originele[ – wat husserliaanse – ] vertaling van Paulus’ zegswijze: de logos van het Kruis, de rigoureuze kennis en logica van het Kruis? [Husserl zelf schreef – na een stilte van tien volle jaren – een korte bijdrage met een geheel nieuwe benadering van het filosofisch bezig zijn,  Philosophie als strenge Wissenschaft]

Zo begon ik mijn zoektocht. Nieuwsgierig wou ik weten: sinds wanneer doorkruist Paulus haar eigen zoektocht naar de waarheid? Ik dacht: ik zal in haar autobiografisch verhaal (Uit het leven van een joodse familie) signalen opvangen van haar erkenning van de apostel en van zijn kentering op de weg naar Damascus? Hij was immers een bijzonder getalenteerde Jood, goed gevormd, diep verankerd in zijn traditie en in de denkkaders van zijn tijd! En was ook zij niet een Jodin, getalenteerd, met een bijzonder stevige filosofische vorming? Zal er enige aantrekkingskracht meegespeeld hebben van hem naar haar, in de ontmoeting met Christus en met wat Paulus noemt ‘het evangelie van Gods zoon’?

Ik vond in heel deze autobiografie niets dat naar de apostel verwees. Dat is bij een eerste vaststelling nogal verrassend inderdaad. ‘Bijbel’, ‘evangelie’, ‘de Schriften’, ja die woorden leverden iets op, zij het weinig echt relevant, maar de trefwoorden ‘Paulus’ of ‘Apostel’ boden geen enkel resultaat. Op zich is ook dit negatieve resultaat toch wel openbarend, niet? Daar zal verder over nagedacht moeten worden.

Dan maar springen in de Brieven, van haar en tot haar gericht. In brieven levert iemand zijn ziel, zijn vrije associaties, zijn terloopse invallen, verborgen citaten, soms even… Ik dacht aan een Elisabeth van de Drie-eenheid: haar brieven naar de familie en vrienden zitten vol met herbespelingen van uitdrukkingen uit de brieven van Paulus. Hoe zal Edith zich hier openbaren? Ook bij deze peilingen waren de bevindingen opmerkelijk schraal! Die drie dikke volumes van haar of tot haar gerichte brieven, leveren maar heel weinig materie om te komen tot een visie van hoe Edith Paulus in haar denken een plaats heeft geruimd. Deel III bevat enkele de  brieven van en naar Roman Ingarden, een Poolse vriend (straks hoort u meer over deze vriendschap). Welnu, in dat deel is er niets te vinden, wat Paulus aangaat! Deel I en II zijn de brieven van vóór en na haar intrede. Alles samen, op de bijna 800 bewaarde brieven, zijn er dan toch drie tot vier interessante verwijzingen, zij het slechts één keer uit haar eigen pen.

Ik begin met Alfons Donders die haar op 12 januari 1939 (brief 589) een zeer korte boodschap toestuurde. Ze is dan al hier, in de Karmel van Echt. Hij vraagt haar te bidden voor de filosoof Peter Wust die ze in Salzburg had leren kennen. De man lijdt wellicht aan kanker… (Peter sterft een jaar later, in april 1940; hij was aanwezig bij de kleding van Edith, in de Karmel van Keulen). Donders eindigt met een dubbele verwijzing naar Paulus: Romeinen 8,28.31. Zelf citeert hij de eigenlijke tekst niet verder, geeft alleen de verwijzing. Alles is als het ware in code meegedeeld, met veel afkortingen en een minimum aan woorden, waarschijnlijk uit grote voorzichtigheid (we zijn al in het jaar ’39)! Adolf Donders was priester (Domprost) in Münster en geestelijke raadgever van Edith in de jaren dat Edith in Münster leefde. Nu zijn die twee zinnen van Paulus bijzonder kostbaar: ‘Wij weten dat voor hen die God liefhebben, alles ten goede komt’ en ‘Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?’. Vooral de eerste zin is kostbaar want Edith gebruikt die zin van Paulus ook elders om aan te geven dat haar moeder in haar trouw aan het joodse geloof zeker in Gods hand terecht gekomen is: ‘Wij weten dat voor hen die God liefhebben, alles ten goede komt’! Die zin van Paulus is zelf een citaat van een ruimere overtuiging (‘wij weten’) die teruggaat op het geheel van de Bijbelse openbaring en niets specifiek christelijk in zich bevat. In de tweede zin herbespeelt Paulus een woord van de lijdende dienstknecht in Jesaja 50: ‘Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?’ Een retorische vraag. Het antwoord is duidelijk: niets, niemand!

Een tweede tekst bevindt zich in een brief van de vrouw van haar professor en meester Edmund Husserl, Malvine Husserl.  Zij schrijft vanuit Leuven-Herent, in het klooster van Bethlehem, op 2 juli 1941 (brief 698). Ze dankt Edith en bewondert haar omdat ze een bevrijdende toelichting geschreven heeft op de passage van Paulus in de brief aan de Hebreeën (6,4v.). Karl Adam had namelijk een boek gepubliceerd over Christus en helemaal op het einde verwezen naar de ernst van Gods oordeel, zich baserend onder meer op Hebreeën 6,4v.[1] Wie afvalt van het christelijke geloof, is onherroepelijk verloren, zo klinkt die dreigende passus. “Nicht jeder hat die Chance, eine freundschaftliche Beratung und Erklärung von der Kraft und Fülle Ihrer Worte zu geniessen“. Jammer genoeg hebben ook wij die chance niet meer om de tekst van Edith te lezen. Die is tot nu toe onvindbaar. Wel is er ons een lovende recensie op dat boek van Karl Adam, in 1934 door Edith Stein geschreven, bewaard gebleven, maar daarin staat niets over de epiloog, met dat citaat uit de brief van aan de Hebreeën… We vernemen hier dan toch dat zij fris en vrij kan lezen, en wat voor sommigen als angstig overkomt, kan ontkrachten in naam van Gods oeverloze barmhartigheid. (Ich habe Ihre wundervollen Ausführungen mehrfach gelesen und mich daran tief im Herzen erfreut, denn an der grenzenlosen Barmherzigkeit Gottes zu zweifeln, gäbe man da nicht das Herz des Christentums preis?).

Een derde verwijzing naar Paulus betreft een correspondentie met een hulpbisschop uit Oostenrijk, Mgr. Sigmund  Waitz. De man schreef meerdere keren naar Edith en dankte haar uitdrukkelijk voor haar werk op Sint-Thomas, De veritate, in twee delen verschenen en die ze hem had toegestuurd. Zelf schreef hij over Paulus, eveneens in twee delen en had die haar gezonden. Hij was wat verrast dat zij er niet op reageerde. Zelf had hij er met veel genoegdoening aan gewerkt; hij was ook behoorlijk tevreden over het eindresultaat, zo zegt hij in een brief van 21 juni 1932 (Brief nr. 209). Zes weken later komt dan het antwoord van Edith Stein, geschreven op 6 augustus. Zij bedankt hem voor zijn vriendelijk en lovend schrijven naar aanleiding van haar werk over Sint-Thomas. Ze reageert eindelijk ook op zijn twee delen over Paulus. Ze heeft zich pijnlijk gekwetst gevoeld bij het lezen van wat hij, reeds in het eerste deel, over het jodendom schreef. Ze geeft de volgende verklaring: ‘Wanneer men geboren is en opgegroeid in het jodendom, dan kent men de hoge menselijke en geestelijke waarden die men overgeërfd heeft, die al te vaak ongekend blijven voor wie er buiten staan. En men ervaart als hard en onterecht de oordelen die zich houden aan de voorbeelden van decadentie die, van buitenaf gezien, op de voorgrond van de scène komen te staan’[2].  Zijdelings vernemen we dan toch twee dingen: zij heeft die boeken gelezen en heeft dus langs die weg een zekere kennis kunnen opdoen van wie Paulus was, hoe hij dacht en praktisch het leven ordende in de nieuw gestichte gemeenschappen. Anderzijds toont ze ons hoezeer ze haar verleden als Jodin inschatte: uiterst positief, menswaardig en geestelijk hoogstaand. Haar niet verder praktiserende houding bevatte daarom nog geen oordeel over de hele traditie. Verre van! Zij blijft uiterst vriendelijk in de slotgroet.

Hoe spreken over de ander? We kunnen vergelijkingen trekken vanuit de gruweldaden die de enen en de anderen gedaan hebben. We kunnen ook het meest nobele bij de een en bij de ander bij elkaar brengen. Dan zal het dialogeren heel anders verlopen.

Een laatste opmerking betreft de lectio divina continua van Edith wanneer ze al in het klooster is. In een brief aan een van haar kostbaarste vriendinnen Moeder Petra Brüning, Ursuline, op 23 juni 1935. ‘Wir werden in großer Liebe und Dankbarkeit mit Ihnen feiern [het feest van de apostel Petrus] und Ihrer Anliegen gedenken. Die Last ist gewiß jetzt sehr groß und nur ein Felsenglauben fähig, sie zu tragen. Ich habe in den letzten Monaten erst die  Apostelgeschichte zur Betrachtung genommen und bin jetzt an den Apostelbriefen. Darum werde ich diesmal das Doppelfest mit einer besonderen Liebe zu den beiden festen Grundpfeilern unserer hl. Kirche feiern. Welch eine unermeßliche Schatzkammer ist die Hl. Schrift!

Ondanks veel zorgen, zware taken, grote schrijfopdrachten onderwerpt ze zich aan die lectio continua van de H. Schrift, langzaam en gestadig (voor de Handelingen deed ze er maanden over, schrijft ze!).

Tot zover vier belangrijke delen van Edith’s oeuvre. Wat gezegd over de rest? Er zijn nog eens 23 delen vol met grote en kleine geschriften in de Gesamtausgabe verzameld! Ik ben dus verder gaan zoeken.

Niet gemakkelijk: geen index, en meer nog, vaak geen enkele verwijzing bij een mogelijk citaat! Men moet dingen zelf aandachtig gaan lezen en herlezen om plots op een verwijzing naar Paulus te vallen. Hier een boekje over de persoon, in het Frans vertaald. Komt Paulus daarin voor? Ik blader wild, en plots zie ik schuingedrukt een hele zin staan, p. 53: ‘L’inquiet soupir de la créature est en attente de la révélation des enfants de Dieu’. Ook al is de vertaling wat ongewoon, toch herken ik onmiddellijk Rm 8, 22, de teilhardiaanse gedachte van een zuchten en hunkeren dat door heel de schepping trekt, als barensweeën, uitziend naar de vrijheid en de schoonheid van de kinderen Gods. Ook die gedachte vond ik elders bij Edith, in één van haar laatste gedichten: (juni 1940, dl 20 van Gesamtausgabe): In harten Wehen wird Dein Reich geboren. Alleen in de Franse vertaling wordt hier verwezen zowel naar het Jezus’ woord

[1] Karl Adam, Jesus Christus, Augsburg 1933, p. 320. Na het citaat uit Hebreeën 6, schrijft S. : ”Gott lässt Seiner nicht spotten. Erlösung besagt nicht, dass Sich Gott zum blinden Sklaven Seiner Liebe erniedrigt, dass Er, weil ein Mensch in seiner Bösartigkeit unerschöplich ist, nun auch in Seiner erlösenden Liebe unerschöplich sein müsste, um solche Verbostheit dennoch durch das Übermass Seiner Liebe zu bezwingen. Und darum wird es immer Menschen geben, die im Schatten des Todes sitzen, Unerlöste…”

[2] Le Mgr Sigmund Waitz lui a écrit le 27 juin 1931, (Lettre 162, éd. allemande) ; il lui écrit une deuxième fois, le 21 avril 1932 (Lettre 192) ; il lui écrit une troisième fois le 21 juin 1932 (Lettre 209) ; elle lui répond le 6 août 1932, depuis Breslau (Lettre 214).

(‘Dit is begin van de weeën’, zie Mc 13,8par) als naar de tekst van Paulus in Rm 8,22. In de Duitse uitgave (Freiheit und Gnade, ESGA 9, p. 35v.) vindt men geen enkele verwijzing…[1]

Ik heb dus alle 27 delen doorgenomen met meerdere sleutels en trefwoorden, en dat gaf mij toch een dikke 50 referenties naar het werk van Paulus! Als één deel gemiddeld iets meer dan 200 blz. telt en als er 27 delen zijn dan komt men tot een geheel van bij de 5.500 bladzijden. Dat betekent, statistisch: gemiddeld kan men om de honderd bladzijden één referentie naar Paulus vinden?! Dat is niet echt enorm te noemen!

Opmerkelijk is daarbij nog: sommige boekdelen hebben geen enkele verwijzing naar Paulus. We zagen het reeds voor deel III van haar correspondentie met Roman Ingarden of voor haar autobiografisch relaas! Een verklaring voor dit gegeven ligt, m.i., in de methodische aanpak van een onderwerp. Edith vermengt de genres niet, zelfs niet in haar brieven! Als ze een antropologische studie doorvoert vanuit haar fenomenologische invalshoek, dan komt de Bijbel, en dus ook Paulus, daar helemaal niet bij te pas. Zo sterk en eenvoudig is haar manier van werken.

Anderzijds, moet men ook vaststellen dat bij die iets meer dan vijftig aangehaalde passages, niet alles rechtstreeks van Edith zelf komt. Zij vertaalt auteurs die zelf Paulus citeren. Dat is het geval met Thomas van Aquino bijvoorbeeld, die onder andere vaker Augustinus aanhaalt die dan zelf weer Paulus ter sprake brengt! Zo zijn er nog meerdere auteurs die ze vertaald heeft, en die wel vanuit Paulus denken: nemen we de vertalingen van kardinaal Newman. De passages waar Paulus vermeld wordt, heb ik wel opgezocht maar niet allemaal opgenomen in mijn index. Ze zijn, strikt genomen, weinig of niet representatief voor het persoonlijk denken van Edith Stein.

Toch moet men hierbij aandachtig blijven want wat we uit die grote auteurs uit de traditie vernemen, is niet compleet onbelangrijk om Edith Steins eigen denken te verstaan: zij kent Paulus omdat ze hem in de grote christelijke Traditie heeft leren kennen! Haar verworven Paulus-beeld is niet slechts de vrucht van haar eigen lectio divina. De filter van de traditie heeft op haar blik ingewerkt. Dit geldt heel in het bijzonder voor de interpretatie van het bekeringsmoment en het visioen van Paulus op weg naar Damascus. Sint-Thomas en Dionysius de Areopagiet bijvoorbeeld maar ook Augustinus wijden hele traktaten aan die vorm van Godskennis en Godsontmoeting. Edith vertaalt hen en – voor een stuk – integreert ze die kentheoretische vooronderstellingen die behoorlijk verschillend zijn van de zuiver fenomenologische.

[1] Het commentaar rond deze zin van Paulus is wel heel bijzonder, en hier ontleedt Edith op meesterlijke wijze de band tussen mens en dier, reeds op puur natuurlijk vlak. Noch eine ganz neue Verantwortlichkeit des Menschen schließt sich uns von hier aus auf. Wir sprachen früher einmal davon, daß nur für ein freies Wesen der Durchbruch aus der Natur zur Gnade möglich sei. Was unfrei geschaffen ist, das vermag nicht, von sich aus das Heil zu suchen und an seiner Erlösung mitzuwirken. Daß es der Erlösung nicht bedarf, ist damit keineswegs gesagt. »Das bange Seufzen der Kreatur harret auf die Offenbarung der Kinder Gottes.« Die dumpf in sichverschlossene und dabei doch ewig unruhig aus sich herausgetriebene Seele des Tiers verlangt nachGeborgenheit, wie sie nur die Gnade geben kann. Aber es kann weder verstehen, was ihm fehlt,noch vermag der dumpfe Drang in ihm zum zielgerichteten Streben und zur befreienden Tat zu
werden. Die Rettung muß ihm ganz von außen kommen. Sie kann ihm nur kommen von einem Wesen, das von sich aus einen Zugang zu seiner Seele findet und zu dem es {{das Tier}} seinerseits eine gewisse Brücke des Verständnisses hat. Der Mensch ist berufen, der Heiland aller Kreatur zu
sein. Er kann es, soweit er selbst erlöst ist. Der Heilige versteht die Sprache der Tiere, er versteht sich ihnen verständlich zu machen, und der »Bruder Wolf« unterwirft sich ihm in Gehorsam. – Was erschließt dem Menschen die Seele des Tieres? Er selbst ist von Natur aus ein Tier und in der Einheit der Natur mit allem Geschaffenen verbunden. Der Gesetzlichkeit, die das Spiel der Eindrücke und Reaktionen beherrscht, ist er mit unterworfen. Er kann »spüren«, was in der Seele des Tieres lebt in derselben Weise, wie auch das Tier spürt, was in der Seele des Menschen ist. Er vernimmt das »bange Seufzen der Kreatur« und spürt die dumpfe Angst, die daraus spricht. Zu helfen aber ist er nicht als ein Stück Natur befähigt, sondern als »Kind Gottes«, das über die Natur erhoben ist. Frei aufgerichtet vermag er die Angst als Angst zu erkennen, die im Tier nur im Dunkel lebt. Und soweit er von göttlicher Liebe erfüllt ist, vermag er die angsterfüllte tierische Seele liebend zu umfassen. Sie aber findet in der Anlehnung an den beruhigten Mensch selbst Ruhe.

Vandaag leest de exegeet en gelovige de bladzijde die de auteur van Handelingen 9 over Paulus op weg naar Damascus beschrijft, compleet anders. De filosofische bril van de Kerkvaders is ons zo goed als onbekend geworden. Bij Edith speelt die mee, niet alleen ten goede, zou ik daarbij geneigd zijn te denken. Zij komt immers nooit tot een andere dan bovennatuurlijke verklaring van het hoogst uitzonderlijke karakter van deze ontmoeting met Christus. Daarmee staat Paulus bijna buiten onze belevingswereld, vaak voorgesteld op dezelfde hoogte als Mozes, maar zo onvergelijkbaar met ons dat hij bijna oninteressant wordt of volledig onbespreekbaar…

Dit als algemene beschouwingen over wat het onderzoek globaal ons leert.

Nu zijn er echter wel vier werken waarin Edith behoorlijk intens met Paulus bezig is, niet zo maar één keer in de honderd bladzijden maar tien tot meer keren in een klein aantal bladzijden.

Het eerste voorbeeld is in een van haar vele traktaten en conferenties over de Vrouw. Antropologisch heeft Edith tot op vandaag veel te bieden, zowel filosofisch als theologisch. In één van haar essays, theologisch van aard, duikt ze in de Bijbel en vindt er Paulus, niet één keer maar vier, vijf passages waar hij het over de vrouw heeft, in de kerkgemeenschap, als echtgenote in het huwelijk, als weduwe en als moeder in het gezinsleven.

Opmerkelijk is hoe Edith, bij haar aanpak, helemaal niets schuwt: netelige kwesties over de vrouw die gesluierd moet zijn, of de uitspraak over ‘de man die het hoofd is van de vrouw’, enz., ontleedt ze zeer zelfstandig, meestal zonder exegeten of kerkvaders daarover te raadplegen. Eén keer laat ze dan toch Sint-Thomas meedenken over de man die hoofd is van de vrouw met de scholastieke vertaling van de relatie: Vir est principium mulieris et finis (Der Mann ist Ursprung und Ziel des Weibes)! Ze staat, hoe dan ook, telkens stevig in haar eigen benadering, antropologisch, waarbij culturele en psychologische beschouwingen naar waarde en naar de beperktheid van hun invalshoek worden geapprecieerd. Zij is meesterlijk in haar vrijheid en vrijmoedigheid.

Daarbij komt, zeer positief, één van de sleutelgedachten van Paulus vaker terug: we zijn complementair, als leden van één lichaam. We vullen elkaar aan, we hebben elk – man en vrouw – onze eigenheid en die moeten we elk ten volle kunnen waarmaken, groeiend. Edith Stein moet indruk gemaakt hebben op haar tijdgenoten. Dat was in de jaren net vóór de zwaardslag van de uitsluiting van alle niet-Arianen in het openbaar leven. Ze sprak vaker voor meer dan duizend mensen. Een andere fundamentele tekst van Paulus die ze graag aanwendt is Galaten 3,28: ‘Hier is geen sprake meer van Jood of heiden, slaaf of vrije, mannelijk en vrouwelijk, allen tezamen zijn jullie één in Christus Jezus!’ Eén keer citeert ze zelfs de hele paragraaf vanaf 3,24: ‘De Wet is voor ons een oppasser – pedagoog – geweest tot de komst van Christus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden door het geloof. Maar nu het geloof gekomen is, staan wij niet langer onder de oppasser. Want allen zijn jullie kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want allen zijn jullie in Christus gedoopt en met Christus bekleed’ (Gal 3,24-27). Ze proeft in die passus van Paulus het verschil tussen wat cultureel bepalend is en wat aan cultuur en geschiedenis ontstijgt en deze overtreft in een dynamische visie van groeien naar de hoogst mogelijke menselijkheid.

Een ander geschrift dat mij behoorlijk verrast heeft, is een recensie uit het jaar 1934, het jaar van haar inkleding en noviciaat. Het gaat om een voorstelling van een boek dat uit het Frans in het Duits werd vertaald, met een krachtig voorwoord van Gertrud von Le Fort. Dat boek bevat slechts brieven van een zekere Marie Antoinette de Geuser (1889-1918) uit Le Havre (Normandië), gericht tot een zuster uit de Carmel van Pontoise (van 1910 tot 1917). Edith presenteert die Brieven in een vijftal bladzijden, waarbij het ene citaat na het andere uit die briefwisseling aan elkaar gevlochten worden. Nu en dan glijdt er een zin van Edith zelf tussenin, vol bewondering en erkenning voor wat deze heel mystiek begaafde jonge ziel optekende, in de donkere jaren van de Eerste Wereldoorlog. Juist in dit korte artikel vinden we bijna een maximum aan citaten van de apostel Paulus!  Deze Marie Antoinette mocht even, als karmelitaanse postulante, de naam van sr Marie de la Trinité dragen maar uiteindelijk werd ze om gezondheidsredenen nooit aanvaard in de Karmel van Pontoise (ten Noorden van Parijs). De correspondentie werd voor haar als een soort substituut voor de begeleidingsgesprekken die ze met haar novicemeesteres in het klooster had kunnen voeren. In deze uittreksels waarin de stem van Edith die van Sr Marie geregeld aflost, komen er wel een klein tiental verwijzingen naar de brieven van Paulus in voor! Wat een ongewone concentratie! Gemiddeld bijna twee per bladzijde[2]!

Eén vers heb ik ook elders, twee keer, bij Edith zelf aangetroffen: ‘Wat nooit in het mensenhart is opgekomen, maar wat God heeft voorbereid voor hen die Hem liefhebben’! (1 Kor 2,6). We zien hier een enorme vereenzelviging van Edith met de innerlijke bewegingen van het diepe zielenleven van de zieke jonge vrouw die met Paulus zegt ‘alles te hebben prijsgegeven’ en die ‘nog slechts vanuit God wil en kan leven’ (Fil 3,10). De mystieke Paulus trilt mee tot in haar hart. Het Caritas urget van 2 Kor 3,18 (‘De liefde van Christus laat ons geen rust…’), is tegelijk een citaat van Edith en een overname van een tekst van Sr Marie!

[Eigenlijk mogen we erop vertrouwen dat hoofdzakelijk Marie aangehaald wordt maar het is Marie die Edith meetrekt in hààr liefde voor de teksten van Paulus, zoals we elders bij Edith dit maar weinig meemaken.  Edith heeft heel zeker ook haar eigen toegang tot de paulijnse teksten, maar ze blijft bezonnen en hermeneutisch alert en daarom ook enigszins op afstand bij het aanhalen van de apostel. En als ze iets dieper en persoonlijker uitdrukkingen van Paulus tot de hare zal maken, dan zal dat meer in het verborgene gebeuren dan in een schriftelijke fixatie. Secretum meum mihi, die drie woorden uit de Latijnse Jesaja, haalt ze aan. Er is een geheim dat mijn is, en verborgen blijft.]

In de inleidende paragraaf  vertrouwt Edith iets bijzonders toe aan de lezer: mocht men wel die brieven, zo intiem, zo vanuit het geheime leven van een ziel met haar God, in de volle openbaarheid laten verschijnen? Edith excuseert de zusters die dit deden door zelf te verwijzen naar een andere Bijbelse tekst, ontleend aan het boek Tobit: ‘Misschien zijn de uitgeefsters het woord van de Schrift indachtig geweest waar Tobit zegt: ‘Het is goed het geheim van de Koning verborgen te houden maar de daden van God openlijk te verkondigen’ (zie Tob 12,7.11). Iets van Ediths eigen terughoudendheid om al te intieme dingen aan het papier toe te vertrouwen, komt hier, wie weet, heel zuiver aan het licht?

Hoe dan ook, die brieven hebben haar diep aangesproken: wanneer ze enkele jaren later, dat was op de laatste dag van het jaar 1938, de Carmel van Keulen verlaat om zich hier in Echt terug te trekken, vernemen we hoe, bij het weinige dat ze met zich mee kon nemen, zich ook die Brieven van Marie Antoinette de Geuser bevonden!

Er blijven nog twee werken van Edith die vaker de Apostel Paulus aanhalen. Ze dateren allebei uit de tijd dat ze Karmelites is geworden. Het eerste, met de titel: Endliches und ewiges Sein. Versuch eines Aufstiegs zum Sinn des Seins is vooral filosofisch, maar niet uitsluitend; het tweede betreft het leven en de werken van Johannes van het Kruis, haar allerlaatste studie.

In het eerste van die twee komt de naam van de apostel een klein tiental keren voor. Een paar keren vinden we de Paulus zoals anderen hem aanhalen, binnen citaten van bvb Teresa van Avila, en we horen hier dus niet direct Edith. Een belangrijk aantal keren komt Paulus in het gesprek als getuige van een apart mensbeeld: Edith ontwikkelt namelijk zowel een drieledige antropologie (lichaam, ziel en geest) als een tweeledige (lichamelijk en geestelijk) en in beide gevallen mag ze zich beroepen op Paulus, waarbij in het laatste geval elk dualisme wordt overstegen. Dit is niet helemaal nieuw, ten opzichte van al haar vroegere antropologische studies.

Verder houdt ze van de metafoor van Paulus over het lichaam en het hoofd, zowel in de organische zin van Romeinen 12 en 1 Korintiërs 12 (we zijn elkaars ledematen, onderling complementair, in het ene lichaam van Christus) als in de kosmische voorstelling van de Brief aan de Efeziërs en die aan de Kolossenzen. Daar is Christus het Hoofd van het Lichaam, in een kosmische relatie. Zij brengt op een bepaald moment de Logos van de proloog van Sint-Jan in relatie tot wat Paulus zegt in Kolossenzen 1,15 tot 20, waar de Christus als de kosmische Wijsheid alles schraagt en samenhoudt. Die teksten, bij elkaar gebracht, bespeelt ze als filosofe en theologe, voorbij de precieze eerste betekenis binnen de context waarin ze optreden. Ze is daarin opmerkelijk vrij en zelfstandig.

Toch zou ik vooral één passus willen opnemen die m.i. het dichtst komt bij het zelfverstaan van Paulus door Edith. Zij commentarieert de kentering die plaats vond in zijn leven als een illustratie van twee dingen die in elk mensenleven kunnen gebeuren. Een mens evolueert, groeit, verlaat de kinderjaren om puber te worden, verlaat de jeugdigheid van de puber om volwassen te worden. Er is groei en discontinuïteit, maar er is ook – dieper – een basis van continuïteit. We zijn anders geworden en we blijven in de grond dezelfde. Juist dan treedt het voorbeeld op van Paulus.

„Der Mensch ist noch derselbe, das Wesen aber ist – »verändert« oder »ein anderes«? Das ist nun die Frage. In der Tat scheint mir beides möglich. Von »Veränderung« des Wesens wird man sprechen, wenn nacheinander einzelne Züge des Wesensbildes sich wandeln und so allmählich ein verändertes Gesamtbild entsteht, wie es bei der Entwicklung des Kindes zum Jüngling und des Jünglings zum Mann der Fall ist. Es bleibt dann doch in dem veränderten Gesamtbild ein Grundbestand des früheren. Und das kann auch bei plötzlichen »Bekehrungen«, bei der »Umwandlung des Saulus in einen Paulus«, der Fall sein. Der Eiferer für das mosaische Gesetz ist ja in dem »Gefesselten Jesu Christi« (Eph 3, 1), der im Dienst des Evangeliums sich völlig aufzehrt, noch deutlich wiederzuerkennen, wenn auch die unerbittliche Härte des Kämpfers einer sich selbst verschwendenden Güte gewichen ist und die Starrheit der Gesetzestreue der leichtbeweglichen Lenkbarkeit gegenüber dem leisen

[1] Het commentaar rond deze zin van Paulus is wel heel bijzonder, en hier ontleedt Edith op meesterlijke wijze de band tussen mens en dier, reeds op puur natuurlijk vlak. Noch eine ganz neue Verantwortlichkeit des Menschen schließt sich uns von hier aus auf. Wir sprachen früher einmal davon, daß nur für ein freies Wesen der Durchbruch aus der Natur zur Gnade möglich sei. Was unfrei geschaffen ist, das vermag nicht, von sich aus das Heil zu suchen und an seiner Erlösung mitzuwirken. Daß es der Erlösung nicht bedarf, ist damit keineswegs gesagt. »Das bange Seufzen der Kreatur harret auf die Offenbarung der Kinder Gottes.« Die dumpf in sich verschlossene und dabei doch ewig unruhig aus sich herausgetriebene Seele des Tiers verlangt nach
Geborgenheit, wie sie nur die Gnade geben kann. Aber es kann weder verstehen, was ihm fehlt,noch vermag der dumpfe Drang in ihm zum zielgerichteten Streben und zur befreienden Tat zuwerden. Die Rettung muß ihm ganz von außen kommen. Sie kann ihm nur kommen von einemWesen, das von sich aus einen Zugang zu seiner Seele findet und zu dem es {{das Tier}} seinerseitseine gewisse Brücke des Verständnisses hat. Der Mensch ist berufen, der Heiland aller Kreatur zu sein. Er kann es, soweit er selbst erlöst ist. Der Heilige versteht die Sprache der Tiere, er versteht sich ihnen verständlich zu machen, und der »Bruder Wolf« unterwirft sich ihm in Gehorsam. – Waserschließt dem Menschen die Seele des Tieres? Er selbst ist von Natur aus ein Tier und in der Einheit der Natur mit allem Geschaffenen verbunden. Der Gesetzlichkeit, die das Spiel der Eindrücke und Reaktionen beherrscht, ist er mit unterworfen. Er kann »spüren«, was in der Seele des Tieres lebt in derselben Weise, wie auch das Tier spürt, was in der Seele des Menschen ist. Er vernimmt das »bange Seufzen der Kreatur« und spürt die dumpfe Angst, die daraus spricht. Zu helfen aber ist er nicht als ein Stück Natur befähigt, sondern als »Kind Gottes«, das über die Natur erhoben ist. Frei aufgerichtet vermag er die Angst als Angst zu erkennen, die im Tier nur im Dunkel lebt. Und soweit er von göttlicher Liebe erfüllt ist, vermag er die angsterfüllte tierische Seele liebend zu umfassen. Sie aber findet in der Anlehnung an den beruhigten Mensch selbst Ruhe.

[2] Dit zijn de citaten die hier optreden : Ef 2,10 ; 3,17s. Fil 3,10.20 ; 1 Kor 2,9 ; 2 Kor 3,18 ; 5,14 ; Kol 2,3.

Hauch des Heiligen Geistes. Dagegen sind aber auch Fälle möglich, wo kein Bleibendes im Wechsel mehr festzustellen ist.  (P. 60)  [De ijveraar voor de mozaïsche Wet is in ‘de geboeide van Jezus Christus’, die helemaal in dienst van het evangelie optreedt, nog duidelijk te herkennen, ook als de onverbiddelijke hardheid van de strijder geweken is voor een zichzelf wegschenkende Goedheid en de starheid van een wetgetrouwe instelling plaats liet aan de zachte ademtocht van de heilige Geest].

Paulus dient tot illustratie, wat schematisch moeten we toegeven, voor de dubbele gegevenheid: mensen kunnen veranderen, in hun wezen blijft er hoe dan ook iets constants, ‘ein Grundbestand des früheren’.

Er blijft nog een laatste werk te bespreken dat ook het allerlaatste geschrift is van Edith, uit de tijd dat ze hier in Echt verbleef: Wetenschap van het Kruis. Studie over Johannes van het Kruis. Het werd in opdracht geschreven, om het vierde eeuwfeest van de geboorte van Sint-Jan het Kruis te vieren (1542-1942). Het werk geraakte niet af: de inleider P. Michaël Linssen schreef: ‘Wat zij niet ten einde toe kon schrijven, heeft ze ten einde toe geleefd’ (p. 6).

Noteren we nog hoe de kentering in haar leven doorslaggevend werd na het lezen van het leven van Teresa van Avila, in 1921 en hoe alles eindigt bij een geschrift gewijd aan de andere hervormer van de Karmel, Johannes van het Kruis! Wat een opmerkelijke inclusio of omlijsting in haar leven, volledig onvoorspelbaar! De laatste bladzijden van dat nog onafgewerkt boek, beschrijft de dood van de mysticus. Haar eigen gruwelijke dood zal amper een paar dagen later plaatsvinden…

We staan bij dit werk voor een driehoek: Edith Stein, zr Teresa Benedicta a Cruce, enerzijds en anderzijds Johannes van het Kruis, met tussen beiden: Paulus en zijn filosofie van het Kruis. Edith gaat na hoe Paulus een Johannes van het Kruis beïnvloed heeft, en wij mogen zien hoe Edith zich inleeft in Paulus om zich verder in te leven in de werken van de mysticus Johannes die zelf regelmatig zijn denken laat bepalen door zinsneden uit de Brieven van de Apostel. Wat een verrassende ontmoeting tussen deze drie groten, in het licht van het absolute en van de dood. Er is daarbij een welbepaalde rode draad die sinds lang door haar eigen persoonlijke zoektocht trekt. Ook al werkt ze  behoorlijk objectief, wetenschappelijk historisch, toch klinkt alles ook uiterst subjectief mee  – Einfühlung hoort nu eenmaal bij haar streng wetenschappelijke benadering! Ze is inderdaad hoogst persoonlijk betrokken bij wat ze optekent, want zelf diep overtuigd van de realiteit van het Kruis in haar visie op het leven en op het christelijke bestaan in navolging van Jezus. Zij beleeft immers die navolging ten volle met name als Jodin, als lid van dat ene Godsvolk, samen met hem en met zijn moeder. P. Linssen noteerde bij haar opzet:  ‘Hoe de leer van het kruis ontwikkelen tot een filosofie van de persoon’. Haar fenomenologische studie concentreerde zich aanhoudend op de mens, de persoon, de rijping van onze menselijkheid als subject, man of vrouw. Nu komt het kruis daarin een heel aparte rol spelen. Dat heeft ze over de jaren in haar eigen leven ontdekt. Ze schrijft op het einde van deel I, de inleiding, p. 38: “Hoe volmaakter de actieve en passieve kruisiging zal zijn, des te inniger zal de vereniging met de Gekruisigde zijn en des te rijkelijker het aandeel in het goddelijk leven”.

[Wenn sie sein Leben teilen will, muß sie mit ihm durch den Kreuzestod

hindurchgehen: gleich ihm die eigene Natur kreuzigen durch ein Leben der Abtötung und

Selbstverleugnung und sich ausliefern zur Kreuzigung in Leiden und Tod, wie Gott sie fügen oder zulassen will. Je vollkommener diese aktive und passive Kreuzigung sein wird, desto inniger wird die Vereinigung mit dem Gekreuzigten sein und desto reichlicher der Anteil am göttlichen Leben. Damit sind die Hauptmotive der »Kreuzeswissenschaft« angeschlagen.]

In het eerste van de drie delen komt Paulus uitvoerig ter sprake, op een manier die we nergens elders in het werk van Edith Stein vinden. In twee, drie bladzijden met ruim een tiental verwijzingen vat zij de visie van Paulus samen. Zij schrijft hoe Johannes van het Kruis als dichter mocht putten in het Hooglied om zijn eigen visie op het leven en de noodzaak van het Kruis uiteen te zetten. Maar hij mocht ook als theoloog putten aan een andere overvloedige bron: de geschriften van de apostel. Zie p. 23-25.

[Kon de dichter in de vurig gekleurde beelden van de oudtestamentische zanger (de schrijver van het Hooglied) rijkelijk inspiratie vinden, de theoloog kon nog putten uit een andere overvloedige bron. De ziel, één met Christus, levend van zijn leven – maar slechts in de overgave aan de Gekruisigde, slechts wanneer zij de hele kruisweg met Hem is gegaan: dat is nergens duidelijker en krachtiger uitgesproken dan in de boodschap van Sint-Paulus. Hij heeft reeds een uitgewerkte wetenschap van het kruis, een theologie van het kruis uit diepste ervaring]. Daarop haalt Edith de sleuteltekst aan waar Paulus de logos tou staurou, de prediking van het kruis ter sprake brengt (1 Kor 1,17-18.22-25). ‘ (…) Joden eisen wonderen, Grieken verlangen wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid!’

Edith vervolgt: ‘Het woord van het kruis is het evangelie van Paulus – de boodschap die hij Joden en heidenen verkondigt. Het is een eenvoudig getuigenis zonder opgesmukte rede, zonder enige poging om door verstandsredenen te overtuigen. Het put heel zijn kracht uit datgene wat het verkondigt. En dat is het kruis van Christus, d.w.z. de kruisdood van Christus en de gekruisigde Christus zelf. Christus is Gods kracht en Gods wijsheid, niet alleen als Gezondene van God, als Gods Zoon en God zelf, maar als Gekruisigde. Want de kruisdood is het door Gods ondoorgrondelijke wijsheid uitgedachte middel der verlossing. Om aan te tonen dat menselijke kracht en menselijke wijsheid niet in staat zijn de verlossing te bewerkstelligen, geeft Hij de verlossende kracht aan Hem, die volgens menselijke maatstaven zwak en dwaas lijkt, die uit zichzelf niets wil zijn, maar alleen Gods kracht in zich laat werken; die zichzelf ‘ontledigd heeft en gehoorzaam geworden is, tot de dood op het kruis’ (Fil 2, 6v.). (…) Deze verlossende kracht van het kruis werd opgenomen in het woord van het kruis en gaat door dit woord over op allen die het aanvaarden, die zich ervoor openstellen, zonder wondertekenen en zonder redenen van menselijke wijsheid te verlangen. In hen wordt het de kracht die het leven geeft en het leven vormt, de kracht die wij ‘de wetenschap van het kruis’ noemen.

Hier heeft ze Paulus’ denken helemaal geassimileerd: haar denken loopt over in zijn woorden en omgekeerd. Zij citeert uit Romeinen 6 over het doopsel en uit Galaten 2 over het met Christus gestorven zijn aan de wet, met hem ook gekruisigd, om voortaan nog te leven in de genade. ‘Met Christus hang ik aan het kruis. En toch leef ik, niet ikzelf maar Christus leeft in mij. Mijn leven in dit vlees leef ik nu niet anders dan in het geloof in Gods zoon die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft overgeleverd’.  (…) Zo is het geloof in de Gekruisigde – het levende geloof dat gepaard gaat met liefdevolle overgave – voor ons de toegang tot het leven en het begin van de toekomstige heerlijkheid. Daarom is het kruis het enige waarop wij kunnen roemen: ‘God beware mij ervoor op iets anders te roemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld’. We nemen het kruis aan, meer nog we kruisigen onszelf. Ze eindigt met: ‘ Op dit laatste – dat er namelijk voorbij het sterven, ruimte zou ontstaan voor het leven van de Geest – komt het aan. Het kruis is niet doel op zichzelf. Het rijst op en wijst naar boven. Maar het is niet alleen teken – het is het sterke wapen van Christus; de herderstaf, waarmee de goddelijke David tegen de helse Goliat optrekt; waarmee Hij krachtig op de hemelpoort klopt en haar openstoot. Dan vloeien de stromen van het goddelijk licht naar buiten en omgeven allen die in het gevolg van de Gekruisigde zijn’ (samenvattend uit de blz. 23 tot 25).

Hier komt inderdaad de kern van het evangelie van Paulus volledig ter sprake. De kunst zal erin bestaan, zoals we hier boven reeds lazen: actief en passief deel te hebben aan het Pascha van Jezus.

Deel II, over ‘De leer van het Kruis’ is verreweg het langste van de drie. Hier neemt Edith meerdere werken van Sint-Jan van het Kruis door, en terloops komen passages uit Paulus ter sprake, niet zozeer door Edith zelf gekozen en aangehaald dan wel reeds vervat in de uitleg die de mysticus geeft aan zijn eigen gedichten en andere beschouwingen. Ook hier weer valt die bekende zin: ‘Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en wat nooit in een mensenhart is opgekomen, dat heeft God voorbereid voor wie hem liefhebben’ (1 Kor 2,9, opnieuw!). Dat wordt dan op de eigen wijze van Sint-Jan van het Kruis uitgelegd: een mens moet oog en oor en ziel of hart sluiten voor elk beeld of vorm of object, en dan pas zal hij of zij God mogen ervaren als nog zoveel mooier dan alle andere geschapen beelden en vormen!

In deel III gaat het over de navolging van het Kruis, in de wederwaardigheden die de mysticus mocht ondervinden tot op zijn sterfbed. Hier komen slechts enkele verwijzingen naar Paulus in voor. Een medebroeder, tijdgenoot van Johannes, citeert wel een woord van de mysticus, waarin hij een zinsnede van de apostel commentarieert (zie p. 356): ‘Naar het getuigenis van P. Eliseo de los Mártires heeft hij (Sint-Jan van het Kruis) eens bij de uitleg van Paulus’ woorden: ‘De waarmerken van de apostel hebben zich onder u vertoond door alles wat ik heb verduurd en door tekenen, wonderen en machtige daden’ (2 Kor 12,12), opgemerkt dat de apostel aan geduld de voorkeur gaf boven wonderen. ‘Zodat dus: ‘geduld een zekerkder kenteken is van de apostolische mens dan het opwekken van doden’. Wat die deugd betreft kan ik verzekeren dat Pater fr. Johannes van het Kruis een apostolisch mens is geweest. Met uitzonderlijk geduld en verdraagzaamheid heeft hij immers de beproevingen doorstaan die over hem kwamen, terwijl deze toch zeer pijnlijk waren en zelfs ceders van de berg Libanon zouden vellen’.

Aandachtig en trefzeker, en mooi bijgehouden door Edith die hier een biograaf wordt in de tweede graad.

Het boek is niet af. Het leven zelf zet ‘de navolging van het Kruis’ – laatste deel van het boek, verder, tot het einde, op 9 augustus 1942, te Auschwitz-Birkenau.

Tot slot wil ik graag hierbij terugkomen op de tweede naam die ze voor zichzelf bij haar intrede in de Karmel koos: Benedicta a Cruce. Een paradox. Want Crux  is maledictio, het kruis is vloek, afschrijving bij de mensen en bij God, volgens de Torah zelf, zo staat te lezen in Dt 21, 22-23: ‘Vervloekt is hij die hangt aan de schandpaal’. Crux werd benedictio door de vervulling, eigen aan Jezus’ dood aan het kruis. Paulus heeft die vreemde, onbegrijpelijke, hoogst tegenstrijdige ommekeer ingezien en meesterlijk ter sprake gebracht, diepste bedding van zijn eigen geestelijke ommekeer op de weg naar Damascus. Door de liefde, de ongewone, onbegrijpelijke liefde die zelfs zondaars en vijanden omhelst, is op het kruis de vloek tot zegen geworden en is de belofte van een zegening voor alle volkeren, aan Abraham toegezegd, toegankelijk geworden voor iedereen, door het geloof in Christus Jezus. Galaten 2, 17-20 en Galaten 3, 13-14. Het Kruis wordt zegen, wordt zelfs teken van roem: Galaten 6, 14v.: ‘God beware mij ervoor op iets anders te roemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus!’.

In een gedicht van haar, geschreven op 16 november 1937, nog in Keulen, stelt ze de vraag, tot tweemaal toe: Wat is het Kruis?

Signum Crucis († 16. XI. 37.) (trad. fr. Le secret de la croix, p. 53-55).

Juxta crucem tecum stare!                                          Naast het Kruis met u gaan staan!

Diese Worte schriebst Du in ein Büchlein               Deze woorden schreef jij in een boekje

Einer, die des Kreuzes Zeichen trägt,                       Van één die het teken van het Kruis draagt

Da auf Dir schon groß des Kreuzes Schatten lag.   Want op jou lag groot de schaduw van het Kruis

Danach senkt’s sich auf Deine Schulter                    Vervolgens zakte het op uw schouders

Hart und schwer.                                                           Hard en zwaar.

 

Der Mensch ward um der Menschen willen,            Wie mens werd omwille van de mensen

Er schenkte Seines Menschenlebens Fülle               Hij schenkt de volheid van zijn mensenleven

Den Seelen, die Er sich erwählt.                                Aan die zielen die Hij zich  uitverkoren heeft.

Der einzeln jedes Menschenherz gebildet                Hij die van eenieder het mensenhart gevormd heeft

Und seines Wesens geheimen Sinn                            En de geheime zin van zijn Wezen

In einem neuen Namen einst offenbaren will,         Eens openbaren wil in een nieuwe naam,

Den jener nur versteht, dem er zu eigen:                 Die elk alleen verstaat die hem heeft Eigen gemaakt:

Er hat mit jedem der Erwählten sich verbunden      Hij heeft met elk van de uitverkorenen zich verbonden

Auf eine eigene, tief geheimnisvolle Weise.             Op een eigen, diepe, verborgen wijze.

Uns schenkt Er aus Seines Menschenlebens Fülle   Ons schenkt Hij uit de volheid van zijn mensenleven

Das Kreuz.                                                                         het Kruis.

 

Was ist das Kreuz?                                         Wat is het Kruis?

Das Zeichen der tiefsten Schmach.             Het teken van de diepste smaad

Wer es berührt, ist ausgestoßen aus der Menschen Reihen. Wie het aanraakt wordt uitgestoten uit de rangen van de mensen.

Die einst ihm zugejubelt,                               Die hem ooit toejuichten

Sie wenden scheu sich ab und kennen ihn nicht mehr. Keren zich schuw van hem af en kennen hem niet meer.

Den Feinden ist er schutzlos preisgegeben. Aan de vijanden wordt hij onbeschermd prijsgegeven.

Auf Erden bleibt ihm nichts mehr                 Op aarde blijft hem niets meer over

Als Schmerzen, Qual und Tod.                       Tenzij lijden, kwellingen en dood.

 

Was ist das Kreuz?                                             Wat is het Kruis?

Das Zeichen, das zum Himmel weist.            Het teken dat naar de hemel wijst.

Hoch ragt es über Erdenstaub und -dunst und damit. Hoogt rijst het boven het stof der aarde

Empor ins reine Licht.                                       En dringt door tot in het zuivere Licht

Was Menschen nehmen können, laß es fahren, Al wat mensen nemen kunnen, laat dat varen

Öffne die Hände und schmiege Dich ans Kreuz: Open de handen en klamp ze vast aan ‘t Kruis

Dann trägt es Dich hinauf                                 Dan draagt het jou naar boven

Ins ew’ge Licht.                                                   In ‘t eeuwige Licht.

 

Schau auf zum Kreuz:                                    Kijk naar het Kruis

Es breitet seine Balken,                                 Het strekt zijn balken uit

Wie einer seine Arme öffnet,                        Zoals iemand de armen breed opent,

Als wollt’ er alle Welt umfassen:                  als wilde die de ganse wereld omvatten:

Kommt her, ihr alle, Mühsel’ge und Belad’ne, Kom nader, u allen, afgetobd en beladen,

Auch ihr, die ihr mir rieft: ans Kreuz mit ihm. Ook u die mij toeriep: Aan het Kruis met hem!

Es ist das Bild des Gottes, der am Kreuz erblich. Het is het beeld van God die aan het Kruis verbleekte

Es steigt vom Erdengrund hinauf zum Himmel Het steigt op vanaf de aardegrond tot de hemel

Gleich Ihm, der auf zum Himmel fuhr,          Gelijk hem die ten hemel opsteeg

Und tragen möcht’ es alle mit hinauf.            En allen, de hoogte in, mee mocht nemen.

Umfasse nur das Kreuz, so hast Du Ihn,        Omarm enkel het Kruis, dan hou je Hem vast

Der Wahrheit, Weg und Leben ist.                 Die waarheid, weg en leven is.

Trägst Du Dein Kreuz, so trägt es Dich          Draag jij jouw Kruis, zo draagt het jou

Und wird Dir Seligkeit.                                     En wordt het jou tot zaligheid.

 

In een paragraaf van de bladzijden die ze neerschreef over Hoe ze tot in de Karmel van Keulen gekomen is, herinnert ze aan een stil moment van gebed waar het Kruis in zijn zwaarte op haar afkwam met een compleet nieuwe bestemming, in directe relatie tot het joodse volk[1]. Ze sprak erover met de Heiland: Er (de predikant) sprach schön und ergreifend, aber mich beschäftigte etwas anderes tiefer als seine Worte. Ich sprach mit dem Heiland und sagte ihm, ich wüßte, daß es Sein Kreuz sei, das jetzt auf das jüdische Volk gelegt würde. Die meisten verstünden es nicht; aber die es verstünden, die müßten es im Namen aller bereitwillig auf sich nehmen. Ich wollte das tun, Er solle mir nur zeigen, wie. Als die Andacht zu Ende war, hatte ich die innere Gewißheit, daß ich erhört sei. Aber worin das Kreuztragen bestehen sollte, das wußte ich noch nicht.

[1] Es war der Vorabend des 1.Freitags im April, und in diesem »Heiligen Jahr« 1933 wurde an allen Orten das
Gedächtnis des Leidens unseres Herrn besonders feierlich begangen. Um 8Uhr abends fanden wir uns
zur Heiligen Stunde im Karmel Köln-Lindenthal ein. Ein Priester (Domvikar Wüsten, wie ich später
erfuhr) hielt eine Ansprache und kündigte an, daß von nun an jeden Donnerstag diese Andacht hier
gehalten werden sollte. Er sprach schön und ergreifend, aber mich beschäftigte etwas anderes tiefer als
seine Worte. Ich sprach mit dem Heiland und sagte ihm, ich wüßte, daß es Sein Kreuz sei, das jetzt
auf das jüdische Volk gelegt würde. Die meisten verstünden es nicht; aber die es verstünden, die
müßten es im Namen aller bereitwillig auf sich nehmen. Ich wollte das tun, Er solle mir nur zeigen,
wie. Als die Andacht zu Ende war, hatte ich die innere Gewißheit, daß ich erhört sei. Aber worin das
Kreuztragen bestehen sollte, das wußte ich noch nicht.

Die gedachtegang is origineel, zonder enig aanknopingspunt met de brieven van Paulus. Maar wat toen doorbrak in haar, is als een kompas gebleven voor haar verder verstaan van haar uiteindelijke bestemming.

Edith heeft dit overwogen, in het hart gegrift en is de weg gegaan…

[Ik denk dat men op dit punt aangekomen, in stippellijn, het paulijnse erfgoed verder mogen doortrekken. We weten niet hoe Paulus na zijn laatste schrijven en na zijn proces de dood tegemoet is gegaan. Geen bericht beschrijft ons hoe hij aan zijn einde kwam. De beste historische reconstructies die ik mocht lezen en horen in een recent congres in Spanje, komt tot de conclusie dat Paulus na zijn  twee jaar gevangenis in Rome veroordeeld werd tot ballingschap. Hij moest Italië verlaten en mocht ook in Palestina niet terugkeren. Sommigen denken dat hij het gewaagd heeft even naar zijn vrienden in Rome terug te keren en dat minder genegen personen hem aan de Romeinse overheid verklikt hebben, wat de dood door het zwaard tot gevolg had. Een einde zonder getuigen. Vincent Lebbe, als missionaris, de Sint-Paulus van China, eveneens als het ware verdwenen, Chinees met de Chinezen, zonder schakels met de andere cultuur, in een grote stilte gehuld…

Het komt mij voor dat Edith Paulus gevolgd is in een nacht die even geheimzinnig geweest is: de context gaf aan haar heengaan een door niemand vooraf ingevuld model. Benedicta a Cruce. Haar  voorgevoel, nog vóór ze het kloosterleven mocht omhelzen: de tijden zijn slecht, het wordt een vreselijk Kruis. Maar ook: het wordt hoe dan ook een zegening: benedicta en geen vloek maledictus qui suspensus est a ligno. Verder trekken, namens haar volk, namens het Duitse volk, namens de christelijke geloofsgenoten, de Kerk. Gruwelijk en toch betekenisvol. Romeinen 11: een geheim. Eens…  Ook zij: eens moet het goed komen. Bij God, met haar moeder, samen ten beste sprekend voor onze woelige tijd, nog steeds zo doortrokken van anti-semitische strekkingen (Pittsburg…).]

De weg van Paulus tot het einde toe ontsnapt ons.

De weg van Edith tot het einde toe ontsnapt ons eveneens.

Maar dit is de ene weg van Christus zelf, en het getuigenis van de apostelen bevestigt ons dat God die weg ten volle in zich opneemt. In die opname delen voortaan en Paulus en Teresa van Avila, en Johannes van het Kruis en Teresa Benedicta a Cruce, samen met de vijf andere patronen en patronessen van Europa: Benedictus van Norcia, Cyrillus en Methodius, Birgitta van Zweden en Catharina van Siena.

Er is een wijsheid en een waarheid, een wetenschap en een dwaasheid die ons en onze menselijkheid kunnen voeren tot een volkomenheid die ook Edith Stein geschouwd heeft en nu voorgoed bereikt.

Zijdelings heeft de apostel Paulus, Jood zoals zij, haar inzichten meer en meer gekleurd en innerlijk bewoond. Hopelijk hoorden jullie in die wandeltocht door haar geschriften iets van de aparte syntonie tussen haar en hem doorklinken. De zoektocht is niet af, maar wat ik hier en daar mocht plukken en in mijn schort verzamelen, en nu met u delen, dankzij deze dagen van Echt, heeft mijn eigen hart diep geraakt en substantieel gevoed. Ik hoop nog op meer, door verdere studie, en dank u nu reeds voor uw aandacht.

 

[SIGMUND WAITZ, GEB. AM 29. 5. 1864 IN BRIXEN, GEST. AM 30. 11. 1941 IN SALZBURG, DORT IN DER KATHEDRALE BESTATTET. WAITZ, ANFANGS GENERALVIKAR UND WEIHBISCHOF IN FELDKIRCH,DANN APOST. ADMINISTRATOR IN INNSBRUCK-FELDKIRCH, WURDE 1934 ERZBISCHOF VON SALZBURG. ER WAR EIN UNGEMEIN TATKRÄFTIGER MANN, UND ZWAR AUF PASTORALEM WIE AUF KARITATIVEM, SOZIALEM UND POLITISCHEM GEBIET. NACH EINER FULMINANTEN PREDIGT IM DOM ZU SALZBURG AM CHRISTKÖNIGS-FEST 1941 GEGEN DAS NATIONALSOZIALISTISCHE PROPAGANDASYSTEM ERLITT ER EINEN HERZANFALL UND STARB WENIGE TAGE SPÄTER].

 

 

[1] Es war der Vorabend des 1.Freitags im April, und in diesem »Heiligen Jahr« 1933 wurde an allen Orten das

Gedächtnis des Leidens unseres Herrn besonders feierlich begangen. Um 8Uhr abends fanden wir uns

zur Heiligen Stunde im Karmel Köln-Lindenthal ein. Ein Priester (Domvikar Wüsten, wie ich später

erfuhr) hielt eine Ansprache und kündigte an, daß von nun an jeden Donnerstag diese Andacht hier

gehalten werden sollte. Er sprach schön und ergreifend, aber mich beschäftigte etwas anderes tiefer als

seine Worte. Ich sprach mit dem Heiland und sagte ihm, ich wüßte, daß es Sein Kreuz sei, das jetzt

auf das jüdische Volk gelegt würde. Die meisten verstünden es nicht; aber die es verstünden, die

müßten es im Namen aller bereitwillig auf sich nehmen. Ich wollte das tun, Er solle mir nur zeigen,

wie. Als die Andacht zu Ende war, hatte ich die innere Gewißheit, daß ich erhört sei. Aber worin das

Kreuztragen bestehen sollte, das wußte ich noch nicht.

 

 


Zoeken